De bestaande rechtbank aan de Parnassusweg op de Amsterdamse Zuidas is verouderd. Vier torens worden gesloopt en vervangen door nieuwbouw. De twee monumentale torens blijven behouden. Een helder plan, maar wel een plan dat een praktisch probleem creëerde: waar gaat de rechtbank heen tijdens de bouw? De oplossing: een tijdelijk gebouw dat via een loopbrug is verbonden met de twee monumentale torens. Het Rijksvastgoedbedrijf besloot daarvoor de expertise in de markt aan te boren. Consortium dpcp – aannemer du Prie en projectontwikkelaar cepezedprojects – bedacht een aantal handige trucs om het gebouw te kunnen hergebruiken en op die manier zo min mogelijk te verspillen.

Het tijdelijke nieuwe gebouw is nodig voor onder meer de zittingszalen, het bedrijfsrestaurant en de ophoudcellen. Het stelde het Rijksvastgoedbedrijf voor een dilemma. ‘Een tijdelijke rechtbank bouwen naast de nieuwe rechtbank kan overkomen als geld over de balk gooien’, zegt Inge Aardenburg-Stet van het Rijksvastgoedbedrijf. Het resulteerde in een bijzondere eis in de aanbesteding: zo min mogelijk verspilling, zo veel mogelijk hergebruik. Menno Rubbens, die namens cepezedprojects deel uitmaakte van consortium dpcp, herinnert zich de uitdaging goed: ‘Er was een heel specifieke focus op het tegengaan van verspilling. De invulling was aan de ontwerpers en bouwers.’

Hergebruik = hoge restwaarde

De aanbesteding werd beoordeeld aan de hand van EMVI-criteria. Aardenburg-Stet: ‘Dat betekende onder meer dat de restwaarde in mindering werd gebracht op de bouwkosten.’ Het verrekenen van de restwaarde in de aanneemsom was nieuw voor de opdrachtnemer, maar sloot wel goed aan bij de achtergrond van dpcp. Rubbens: ‘We hebben ervaring met flexibel bouwen, tot nu toe vooral voor beleggers of externe financiers. Dit was voor het eerst bij het Rijksvastgoedbedrijf. Maar het schiep meteen een gemeenschappelijk belang: een hoge kwaliteit van het gebouw, om de restwaarde zo hoog mogelijk te houden. Daarin kun je jezelf natuurlijk beperken. Maar wij geloven zodanig in het concept, dat we dat niet doen. We gaan echt voor die hoogste kwaliteit.’

Uitkomst

‘Het beste scenario qua duurzaamheid is een gebouw dat tot in lengte van dagen op die plek staat en aangepast kan worden aan het veranderend gebruik’, zegt Rubbens. Aangezien dat niet mogelijk was, ging dpcp voor de second best oplossing: een gebouw dat je kunt demonteren en elders weer kunt opbouwen. Flexibel bouwen is daarbij een belangrijk uitgangspunt, want de kans dat het gebouw elders weer als rechtbank met dezelfde criteria wordt gebruikt, is nagenoeg nul. ‘We hebben het zo gebouwd dat je het geschikt is voor een school, lab, kantoorgebouw, zelfs voor wonen. De verdiepingshoogtes en installaties in gebouw zijn zo aangelegd, dat je het gebouw kunt configureren naar eigen inzicht. Vides, trappen, liften en muren kunnen op andere plekken komen.’

‘dpcp ziet dit gebouw als een product dat je op een eenvoudige manier kunt demonteren en elders weer kunt opbouwen’, zegt Aardenburg-Stet. ‘Een mooi concept. Vooraf hadden we niet kunnen dromen dat dit eruit zou komen. De uitvraag bleek naadloos aan te sluiten op de toekomstvisie van de bouwers.’

Vakmanschap

Het ontwerpteam van dpcp heeft ruime ervaring met gebouwen die je uit elkaar kunt halen. Rubbens: ‘Zo min mogelijk lassen, zo min mogelijk ter plekke gestort beton.’ Een detail dat het vakmanschap goed laat zien: de betonnen kanaalplaten die speciaal voor dit project zijn ontworpen. ‘Normaal zitten die vast aan de staalconstructie, via een betonlaag. Nu hebben we speciaal een detail ontwikkeld, waardoor de platen met schroeven vastzitten. Eigenlijk is het een simpele oplossing, waarin we een standaardproduct op een andere manier toepassen dan gebruikelijk.’ Aardenburg-Stet zag ook creatieve oplossingen bij de cellen: ‘De celdeuren zijn hergebruikt: ze komen uit een opgeheven penitentiaire inrichting. En de ophoudcellen op zich zijn her te gebruiken als bijvoorbeeld schuurtjes bij een woningbouwproject.’

Samenwerking

Een goede samenwerking bleek erg belangrijk. ‘Ik ben enthousiast over de dialoog met het Rijksvastgoedbedrijf’, zegt Rubbens. ‘Doordat we vrij vroeg een gemeenschappelijk doel hadden, stonden de neuzen dezelfde kant op. We zijn samen gegaan voor tijdelijkheid van de functie en permanente kwaliteit van het gebouw.’ Een belangrijke factor is volgens Rubbens ook de samenwerking binnen het consortium: ‘De ontwerpende en de aannemende partij moeten gelijkwaardig aan tafel zitten. Vanuit ontwerp en bouwpraktijk kunnen ze dan op zoek naar de beste kwaliteit, zonder dat op dogmatische manier te benaderen.’